vrijdag 18 oktober 2013

 
In mijn vorige blog vertelde ik over een toekomstvisie die ik in de laatste dagen als ambtenaar achterliet op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hieronder zet ik de hoofdlijnen daarvan uiteen.

Terug naar ‘normale tijden’
Wie de geschiedenis van de verhouding tussen overheid en burgers overziet, kan een kleine uitzonderingsperiode, genaamd de ‘Welvaartsstaat’ waarnemen van zeg 1958 tot 2008, te midden van een oceaan van meer ‘normale’ tijden. In die periode worden vrijwel alle maatschappelijke problemen bij de overheid neergelegd, cq trekt de overheid zich die problemen aan. Dat gebeurt in de vorm van subsidie en/of regelgeving of in de vorm van professionele door de overheid georganiseerde diensten. De eerste helft, tot 1981 laat een opgaande lijn zien, daarna gaat het bergafwaarts, maar in de hele periode overheerst het idee dat je maatschappelijke problemen het best kunt uitbesteden. De burgers en de overheden raken hieraan zo gewend dat ze het normaal beginnen te vinden. Totdat de overheidsfinanciën spaak lopen.
Er zijn drie dwingende redenen waarom deze situatie niet lang zo kan voortduren. Die redenen liggen op het vlak van kunnen, moeten en willen.
1.    De mensen zijn mondig geworden en hun organiserend vermogen is mede dankzij internet sterk toegenomen
2.    De overheid is gedwongen terug te treden, om budgettaire redenen en omdat het sturend vermogen via regelgeving juist steeds meer zijn grenzen bereikt;
3.    Mensen hebben behoefte aan een andere samenleving, met meer betrokkenheid en cohesie (zie talloze onderzoeken van SCP, 21minuten.nl etc., waar blijkt dat mensen tevreden zijn met hun eigen leven, maar ontevreden over de samenleving.
Meer hierover is te vinden in de kabinetsnota Doe-democratie.
Wie een beeld wil vormen van de toekomstige ontwikkelingen van het openbaar bestuur kan gaan kijken naar koplopergemeenten, die al verder zijn in de incorporeren van doe-democratie in hun organisatie. Dan komen we al gauw uit in het oosten van het land. Voorop loopt Peel en Maas. Daarnaast zijn Emmen, Hoogeveen, Hellendoorn, Berkelland, Schouwen-Duiveland en Zeist al enige tijd bezig. Maar in deze tijd melden zich steeds meer gemeenten die vastberaden aankondigen zich te willen ‘kantelen’ naar de samenleving. Wat betekent dit fenomeen als we het verder zouden doortrekken?
Gemeenschappelijk kenmerk van het denken in deze gemeenten is dat zij een splitsing aanbrengen binnen het publieke domein tussen onderwerpen die zonder meer gemeentelijke taak blijven en die welke worden overgelaten of ‘teruggegeven’ aan de zelforganisatie van gemeenschappen in dorpen en wijken. Niet onbelangrijk is de vraag hoe groot de tussencategorie is van onderwerpen die door coproductie tussen overheid en samenleving aangepakt worden. Naarmate dat het geval is, zal het verschil in benadering minder rigoureus worden.

Collectiviteit opknippen in twee of drie domeinen:
Publiek Domein

Gemengd Domein, Coproductie
maatschappelijk domein met overheidsinvloed of overheid met maatschappelijke invloed
Maatschappelijk Domein

Privaat domein

Ook binnen het private domein is van alles gaande, maar dat blijft hier verder buiten beschouwing.
Het verschil tussen het publieke domein en het maatschappelijke domein is goed zichtbaar te maken door de hier geldende waarden en systeemkenmerken te expliciteren.

Waarden en systeemkenmerken
Publiek domein
Maatschappelijk domein
Gelijkheid
Verscheidenheid
Systeemwereld
Leefwereld
Standaarden
Maatwerk
Regelgeving
Doelgeving
Tellen (NPM, SMART)
Vertellen, communiceren, verstehen
Project
Proces
Complexiteit reduceren
Complexiteit omarmen
Rationaliteit/causaliteit
Reflexiviteit
Planmatig, samenhang
Organische ontwikkeling, pieken en dalen
Zoeken naar belemmeringen, remmen
Vitaliteit, zoeken naar mogelijkheden

Wat is nodig?
Gezien het voorgaande, is het duidelijk dat een overheid die consequent voortbouwt op de ideeën van doe-democratie (participatiesamenleving?) drastische aanpassingen vereist, zowel op het niveau van de kwaliteiten van de bestuurders en medewerkers als in de organisatie en systemen.
Eén hoofdregel is leidend: Politicus, Bestuurder of Professional, bedenk bij alles wat je doet eerst wat de samenleving zelf kan doen of kan bijdragen en hoe jij dat kunt ondersteunen!”
Dit impliceert loslaten van het gelijkheids- en regeldenken in alle onderdelen waar mensen in de samenleving geprikkeld kunnen worden om eigen verantwoordelijkheid te nemen. Dat komt bijna neer op zelfverloochening voor de overheid, maar niet helemaal, omdat de overheid wel beschikbaar moet blijven op onderdelen waar die eigen verantwoordelijkheid niet genomen kan worden. Dit stelt echter meteen weer nieuwe uitdagingen, omdat de overheid de flexibiliteit moet opbrengen om nu eens het ene repertoire ter hand te nemen en dan weer het andere: Maatwerk. Het ondersteunen van maatschappelijk initiatief vergt kennis van de samenleving. Hoe toegerust en gemotiveerd zijn mensen al, en hoe kan dit worden versterkt? Vergeet het idee dat de overheid over de hele linie alleen moet terugtreden en inkrimpen. Er zijn genoeg onderwerpen waar dat kan (bureauwerk), maar tegelijkertijd vergt de omslag dat de overheid weer versterking zoekt in contacten met en empowering van de samenleving (straatwerk). Maatwerk is straatwerk!

Voor politici is het een uitdaging om los te laten. Dat in een omgeving waarin alles tot nu toe op beheersing gericht is en op scoren vanuit het primaat van politieke organen. In ieder geval moet in de gemeente van de toekomst voor een deel van het publiek domein deze pretentie worden losgelaten en worden vervangen door primaat van de samenleving (subsidiariteit). Politici krijgen de veel belangrijker taak van het maken van onderscheid waar dat nodig is.
Iets dergelijks geldt voor professionals. Die leven vanuit de veronderstelling dat zij onmisbaar zijn vanwege hun onvervangbare expertise. Professionals hebben wel een belangrijke functie omdat zij zijn vrijgesteld voor de publieke zaak en in staat zijn regietaken te vervullen. Vaak zijn professionals wel degelijk onmisbaar, maar als ze dat niet zijn, moeten ze niet toch doen alsof.
De overheid van de toekomst zou veel meer dan nu dienstbaar en volgend moeten zijn. Gelijkheidsdenken moet worden beperkt, maar niet zover dat louter willekeur resteert.
Volgende keer daarover meer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten