In mijn vorige blog vertelde ik over een
toekomstvisie die ik in de laatste dagen als ambtenaar achterliet op het
ministerie van Binnenlandse Zaken. Hieronder zet ik de hoofdlijnen daarvan
uiteen.
Terug naar ‘normale tijden’
Wie de geschiedenis van de verhouding tussen
overheid en burgers overziet, kan een kleine uitzonderingsperiode, genaamd de
‘Welvaartsstaat’ waarnemen van zeg 1958 tot 2008, te midden van een oceaan van
meer ‘normale’ tijden. In die periode worden vrijwel alle maatschappelijke
problemen bij de overheid neergelegd, cq trekt de overheid zich die problemen
aan. Dat gebeurt in de vorm van subsidie en/of regelgeving of in de vorm van
professionele door de overheid georganiseerde diensten. De eerste helft, tot
1981 laat een opgaande lijn zien, daarna gaat het bergafwaarts, maar in de hele
periode overheerst het idee dat je maatschappelijke problemen het best kunt
uitbesteden. De burgers en de overheden raken hieraan zo gewend dat ze het
normaal beginnen te vinden. Totdat de overheidsfinanciën spaak lopen.
Er
zijn drie dwingende redenen waarom deze situatie niet lang zo kan voortduren.
Die redenen liggen op het vlak van kunnen, moeten en willen.
1.
De
mensen zijn mondig geworden en hun organiserend vermogen is mede dankzij
internet sterk toegenomen
2.
De
overheid is gedwongen terug te treden, om budgettaire redenen en omdat het
sturend vermogen via regelgeving juist steeds meer zijn grenzen bereikt;
3.
Mensen
hebben behoefte aan een andere samenleving, met meer betrokkenheid en cohesie
(zie talloze onderzoeken van SCP, 21minuten.nl etc., waar blijkt dat mensen
tevreden zijn met hun eigen leven, maar ontevreden over de samenleving.
Meer
hierover is te vinden in de kabinetsnota Doe-democratie.
Wie een beeld wil vormen van de toekomstige
ontwikkelingen van het openbaar bestuur kan gaan kijken naar koplopergemeenten, die al verder zijn in de incorporeren van doe-democratie in hun
organisatie. Dan komen we al gauw uit in het oosten van het land. Voorop loopt
Peel en Maas. Daarnaast zijn Emmen, Hoogeveen, Hellendoorn, Berkelland,
Schouwen-Duiveland en Zeist al enige tijd bezig. Maar in deze tijd melden zich
steeds meer gemeenten die vastberaden aankondigen zich te willen ‘kantelen’
naar de samenleving. Wat betekent dit fenomeen als we het verder zouden
doortrekken?
Gemeenschappelijk
kenmerk van het denken in deze gemeenten is dat zij een splitsing aanbrengen
binnen het publieke domein tussen onderwerpen die zonder meer gemeentelijke
taak blijven en die welke worden overgelaten of ‘teruggegeven’ aan de
zelforganisatie van gemeenschappen in dorpen en wijken. Niet onbelangrijk is de
vraag hoe groot de tussencategorie is van onderwerpen die door coproductie tussen overheid en
samenleving aangepakt worden. Naarmate dat het geval is, zal het verschil in
benadering minder rigoureus worden.
Collectiviteit
opknippen in twee of drie domeinen:
|
Publiek
Domein
|
Gemengd
Domein, Coproductie
maatschappelijk
domein met overheidsinvloed of overheid met maatschappelijke invloed
|
|
Maatschappelijk
Domein
|
|
|
Privaat
domein
|
|
Ook
binnen het private domein is van alles gaande, maar dat blijft hier verder
buiten beschouwing.
Het
verschil tussen het publieke domein en het maatschappelijke domein is goed
zichtbaar te maken door de hier geldende waarden en systeemkenmerken te
expliciteren.
Waarden
en systeemkenmerken
|
Publiek
domein
|
Maatschappelijk
domein
|
|
Gelijkheid
|
Verscheidenheid
|
|
Systeemwereld
|
Leefwereld
|
|
Standaarden
|
Maatwerk
|
|
Regelgeving
|
Doelgeving
|
|
Tellen
(NPM, SMART)
|
Vertellen,
communiceren, verstehen
|
|
Project
|
Proces
|
|
Complexiteit
reduceren
|
Complexiteit
omarmen
|
|
Rationaliteit/causaliteit
|
Reflexiviteit
|
|
Planmatig,
samenhang
|
Organische
ontwikkeling, pieken en dalen
|
|
Zoeken
naar belemmeringen, remmen
|
Vitaliteit,
zoeken naar mogelijkheden
|
Wat
is nodig?
Gezien het voorgaande, is het duidelijk dat
een overheid die consequent voortbouwt op de ideeën van doe-democratie
(participatiesamenleving?) drastische aanpassingen vereist, zowel op het niveau
van de kwaliteiten van de bestuurders en medewerkers als in de organisatie en
systemen.
Eén
hoofdregel is leidend: “Politicus, Bestuurder of
Professional, bedenk bij alles wat je doet eerst wat de samenleving zelf kan
doen of kan bijdragen en hoe jij dat kunt ondersteunen!”
Dit
impliceert loslaten van het gelijkheids- en regeldenken in alle onderdelen waar
mensen in de samenleving geprikkeld kunnen worden om eigen verantwoordelijkheid
te nemen. Dat komt bijna neer op zelfverloochening voor de overheid, maar niet
helemaal, omdat de overheid wel beschikbaar moet blijven op onderdelen waar die
eigen verantwoordelijkheid niet genomen kan worden. Dit stelt echter meteen
weer nieuwe uitdagingen, omdat de overheid de flexibiliteit moet opbrengen om
nu eens het ene repertoire ter hand te nemen en dan weer het andere: Maatwerk.
Het ondersteunen van maatschappelijk initiatief vergt kennis van de
samenleving. Hoe toegerust en gemotiveerd zijn mensen al, en hoe kan dit worden
versterkt? Vergeet het idee dat de overheid over de hele linie alleen moet
terugtreden en inkrimpen. Er zijn genoeg onderwerpen waar dat kan (bureauwerk),
maar tegelijkertijd vergt de omslag dat de overheid weer versterking zoekt in
contacten met en empowering van de samenleving (straatwerk). Maatwerk is
straatwerk!
Voor
politici is het een uitdaging om los te laten. Dat in een omgeving waarin alles
tot nu toe op beheersing gericht is en op scoren vanuit het primaat van
politieke organen. In ieder geval moet in de gemeente van de toekomst voor een
deel van het publiek domein deze pretentie worden losgelaten en worden
vervangen door primaat van de samenleving (subsidiariteit). Politici krijgen de
veel belangrijker taak van het maken van onderscheid waar dat nodig is.
Iets
dergelijks geldt voor professionals. Die leven vanuit de veronderstelling dat
zij onmisbaar zijn vanwege hun onvervangbare expertise. Professionals hebben
wel een belangrijke functie omdat zij zijn vrijgesteld voor de publieke zaak en
in staat zijn regietaken te vervullen. Vaak zijn professionals wel degelijk
onmisbaar, maar als ze dat niet zijn, moeten ze niet toch doen alsof.
De
overheid van de toekomst zou veel meer dan nu dienstbaar en volgend moeten
zijn. Gelijkheidsdenken moet worden beperkt, maar niet zover dat louter
willekeur resteert.
Volgende
keer daarover meer.